Ze ziet er treurig uit, vandaag, mijn kerk
roerloos ligt ze daar
achter het hekwerk
uitgestrekt
desolaat

een laag stof op het hout van haar banken
een doffe waas over de vloer
In de verte het tabernakel
het lacht niet meer
teruggetrokken in zichzelf
heeft het zijn glans verloren
Mijn kerk is in rouw

Haar nieuwe paaskaars staat er fier
maar haar vuur is nog amper ontstoken
Het waken van haar heiligen
is een wachten geworden
vanuit het diepst van haar stilte,
richt een klaagzang zich op

Wat ben ik zonder mijn mensen?
zonder gebed, zonder zang, zonder Woord?
nutteloos ben ik, zonder enige kracht
een rij van gestapelde stenen,
niets meer dan dat

nu ik niet meer kan dopen
er geen brood wordt gedeeld
de priester geen wijn meer laat rondgaan,
lig ik daar naakt en verloren

nu merk ik het pas
hoe graag ik het doe
dat ik mijn mensen ontvang
en hun verdriet en hun lasten
zonder schroom op mij neem

nu voel ik het pas
hoe goed het mij doet
als dan mijn mensen op hun beurt
mijn troost en geloof en bemoediging
met vreugde aanvaarden

maar ook zie ik nu, hoe slechts stenen en hout onder stof kunnen lijden
en hoe juist de hoop en de blijdschap de dofheid verjaagt

in de armoe van mijn leegte
heb ik mijn hart weer gevonden
Mijn hart dat ik deel met mijn mens

Dit is het hart, dat verder reikt dan mijn muren
dat zich uitstrekt over mijn stad en mijn streek

Wat zou ik gelukkig zijn als ik zou merken
dat mijn mensen het zouden ontwaren,
Het hart dat de leegte weer vult
En dat wij dan weer samen haar weldaad,
als eerst en vanouds, zouden delen

Gabrielle 30.4.2020